Balanocultuur

Zo noemen we volkeren en groepen mensen die eikels aten als belangrijke voedselbron, aangevuld met voornamelijk vlees. Vlees van jacht- en vangst.

De geschiedenis hierover krijgt steeds meer vorm. Uit onderzoek* blijkt dat het eten van eikels, bij jagers/verzamelaars, veel meer voorkwam dan oorspronkelijk werd aangenomen. Bij de overgang van jagers en verzamelaars naar groepen mensen die zich vestigden, werden grassen en granen verbouwd, voornamelijk om het vee te voeden. Het vee at de grassen en granen met stengels en al, ook de delen die mensen niet kunnen verteren. De mest van de dieren werd gebruikt als brandstof en om het land te bemesten.

Het eten van graan door mensen is pas ontwikkeld, toen mensen zijn gaan wonen op plekken waar geen eikels voorhanden waren, of in jaren waarin er geen eikels te oogsten waren en mensen uit nood, leerden om granen geschikt te maken voor menselijke consumptie, gebruik makend van het gereedschap waarmee ze de eikels verwerkten.

Handelsroutes zijn ontstaan, langs het verspreidingsgebied van eikenbomen, voedsel was altijd voorhanden en gemakkelijk te transporteren en bewaren.

In enkele weken tijd kon een voedselvoorraad voor een jaar voor een hele groep mensen geoogst worden. Niet te vergelijken met de moeite en intensieve arbeid die het kost om tarwe of gerst te verbouwen, te oogsten en te verwerken.

De voedingswaarde van eikels overstijgt die van granen, zeker van de granen die verbouwd worden in de laatste 75 jaar. Een andere belangrijke eigenschap van eikels is de lage glycemische index. De suikers/zetmeel in de eikels wordt langzaam opgenomen, je kunt lang vooruit op een maaltje eikels.

*Oak, the frame of civilisation – William Bryant Logan